A B C D E F
G H I J K L M 

Total read books on site:
more than 10 000

You can read its for free!


Text on one page: Few Medium Many
Produced by Jeroen Hellingman and Miranda van de Heijning.





FULCO DE MINSTREEL

EEN HISTORISCH VERHAAL

UIT DEN TIJD VAN GRAAF JAN I

VOOR JONGELIEDEN

DOOR

C. JOH. KIEVIET








HOOFDSTUK 1

Een late rit

't Was op een schoonen Augustusavond van het jaar onzes Heeren 1297,
dat drie ruiters in gestrekten draf langs den heirweg reden, die naar
het slot van den Heer van Heukelom voerde. Ongetwijfeld hadden zij een
warmen rit achter den rug, want een wit schuim liep den edelen dieren
langs de zijden, en de kleederen der ruiters waren met stof bedekt. Het
was een heete dag geweest, zoo heet als het in de hondsdagen maar
zijn kan. Het zonnetje had den ganschen dag als een gloeiende bol
aan den wolkenloozen hemel geschitterd en hare verzengende stralen
naar het aardrijk geschoten. Nu daalde het langzaam ter kimme en
stond op het punt van onder te gaan. Toch bleef het nog warm, zelfs
drukkend in de lucht, en er bestond grond voor de veronderstelling,
dat er wel eens eene donderbui zou kunnen volgen.

Het stof van den uitgedroogden weg vloog dwarrelend van onder de
hoeven der twee voorste paarden omhoog en hulde den derden ruiter,
die een weinig achteraan reed, in eene zoo dichte wolk, dat het hem
bijna onmogelijk was geregeld adem te halen, eene omstandigheid, die
zijn lot verre van aangenaam maakte. Toch deed hij geen moeite om die
stofwolk te ontvluchten en zich bij de andere ruiters te voegen. Een
vluchtige blik op de kleeding van het drietal zou reeds voldoende
zijn om daarvan de reden te doen kennen; de sierlijke kleederen der
voorste ruiters toch laten geen twijfel over, of zij worden gedragen
door Heeren van edelen bloede, terwijl de grovere stof, die den derden
ruiter omkleedt, den dienstman verraadt. Doch bezien wij hen liever
wat nader.

Hoe treft ons de koene blik en de fiere houding van den oudste der
edellieden, een schoonen jonkman van hoogstens vijfentwintigjarigen
leeftijd, wiens blonde haren krullend te voorschijn komen van onder
de roode, met gouddraad gerande muts. Van welk eene fijne stof is
zijn korte, rijk geborduurde lijfrok vervaardigd, en welk een tal van
edelsteenen flikkert aan den gordel, dien hij om zijn middel draagt,
en waaraan een blinkend zwaard, aan het gevest eveneens met kostbare
steenen bezet, bevestigd is. In sierlijke plooien golft hem de blauw
fluweelen mantel om de schouders; zijne korte broek reikt hem tot niet
verder dan halverwege de dijen, en zijne beenen zijn met bruine hozen
bekleed. Gouden sporen aan de hielen toonen aan, dat hij niet alleen
edelman, maar ook ridder is. De schoone jonkman is koninklijk gekleed,
en zijne fiere vorstelijke houding doet die kleeding eer aan. Hij zit
keurig te paard: het schijnt bijna, alsof hij met den vurigen schimmel,
dien hij berijdt, n wezen vormt.

Uit de tuigage van het ros blijkt evenzoo de rijkdom van den
edelman. Ook die is versierd met edelsteenen en paarlen, de
stijgbeugels zijn van zilver, het donkerroode dekkleed, waarop in
zilverdraad het wapen van IJselstein is gestikt, is van kostbaar
fluweel. Toch, hoe vorstelijk en rijk de indruk ook moge zijn, dien
deze ruiter teweegbrengt, koninklijk bloed stroomt hem niet door de
aderen. Het is Heer Gijsbrecht, de eigenaar van het machtige slot te
IJselstein, en zijn naam is reeds, niettegenstaande des Ridders jeugd,
beroemd in het graafschap. Was hij niet een van de eerste edelen, die
van ruiters en voetknechten vergezeld optrok, om den moord in 1296 op
Graaf Floris V gepleegd, te wreken? Hoe zeer was hij verontwaardigd
over de lage daad, waaraan Gerard van Velzen, Herman van Woerden,
Jan van Kuik, en ook zijn eigen oom Gijsbrecht van Amstel zich hadden
schuldig gemaakt. Nauwelijks had het gerucht van den vreeselijken
moord hem bereikt, of hij verzamelde zijne strijdmacht, en rukte op
het slot Kroonenburg aan, waar Gerard van Velzen eene schuilplaats had
gezocht. Dr vereenigde hij zich met de Kennemers en West-Friezen,
die aangevoerd werden door Klaas de Grebber, en met de Heeren van
Kleef en van Zullen, en viel met onstuimige kracht op het moordslot
aan. Weldra stond hij bij de belegeraars bekend als een van de
stoutmoedigste ridders van het Graafschap, die bij eene bestorming
immer de eerste, bij elken terugtocht de laatste was. Waar het gevecht
het heerst, het gevaar het grootst was, daar kon men er zeker van zijn,
de fiere gestalte van den jeugdigen ridder te vinden. Van terugdeinzen
was bij hem geen sprake. "Voorwaarts, altoos voorwaarts!" was zijne
leuze. Voor een groot deel was het aan zijn beleid en zijne dapperheid
te danken, dat het slot Kroonenburg werd ingenomen en de moordenaars
hunne gerechte straf ontvingen. En zoo geducht hij was in den strijd,
zoo beminnelijk en innemend was hij in het dagelijksche leven. Van
hem kon getuigd worden, dat hij was een ridder zonder vrees of blaam
en een sieraad van zijn stand. Rechtvaardig jegens zijne onderzaten,
was hij mild voor de armen, en weezen en weduwen een beschermer.

De ruiter aan zijne zijde is, hoewel niet zoo kostbaar, toch op gelijke
wijze getooid als Heer Gijsbrecht. Uit het wapen van IJselstein, dat
op zijn lijfrok en ook op het dekkleed van den zwarten hengst, dien
hij berijdt, gestikt is, raadt gij, dat hij tot het Huis van Heer
Gijsbrecht behoort. Het is Jonker Jan van Asperen, de schildknaap
van Gijsbrecht. Hij telt ongeveer zeventien jaar, en al kan men
hem geen schoonen jongeling noemen, toch is hij flink gebouwd. Uit
zijne trekken spreekt meer moed en woeste kracht, dan schranderheid,
uit zijne donkere oogen meer drift, dan geest. Toch is hij eerlijk
en trouwhartig; voor zijn Heer zou hij gaarne zijn leven wagen. De
gouden sporen vinden we bij hem niet; hij is dus nog geen ridder,
waarvoor hij dan ook nog wel wat te jong is.

De derde ruiter, die zich soms met een grappig gezicht het stof van
de lippen blaast, is, zooals we reeds opmerkten, een dienstman. Zijn
naam is eenvoudig Fulco, en zijne kameraden noemen hem nog al eens
Fulco den Minstreel, welken naam hij te danken heeft aan zijne schoone
stem en aan de vele liederen, waarop hij hen op feestdagen dikwijls
onthaalt. Hij is een vroolijke jongen van ongeveer twintig jaar, die
de grootste heldenstukken met onverstoorbare kalmte verricht. Heer
Gijsbrecht houdt hem in hooge eere en is, wanneer hij, zooals nu,
op reis gaat, het liefst door hem vergezeld. Hij weet, dat Fulco
zijn volle vertrouwen waardig is, en bovendien dankt hij hem
het behoud van zijn leven. Nooit zal hij het vergeten, hoe Fulco
zich, bij de belegering van Kroonenburg, door een dichten drom van
vijanden heensloeg om hm te redden, toen hij zich in de hitte van
den strijd vergeten en te ver tusschen de vijanden gewaagd had. Van
alle kanten drongen dezen op hem aan, en ongetwijfeld zou hij het
leven verloren hebben, indien Fulco hem niet met gevaar van zijn
eigen leven verlost had. En Fulco is zich bewust, dat hij bij zijn
Heer een potje breken kan, maar nooit komt de gedachte bij hem op
daarvan misbruik te maken. Hij gedraagt zich steeds zooals het een
goed dienaar betaamt. Zoo ook nu. Hoeveel last hem het opgejaagde
stof ook veroorzaken moge, hij denkt er niet aan zich ongevraagd bij
de andere ruiters te voegen. Gelukkig wendde Heer Gijsbrecht zich
tot hem, en riep:

"Wel, hoe heb je het met de warmte, Fulco?"

"Als een jong speenvarkentje aan het braadspit, Edele Heer. Ik begin
bijna te sissen."

"En je bent bijna onzichtbaar ook, jongen. Zie eens, Jonker, is het
niet alsof je Fulco door de wolken zag vliegen?"

"Ha, ha!" lachte Jonker Jan. "De wolken hangen gelukkig nog al laag
bij den grond, Fulco. 't Zou er anders slecht voor je uitzien."

"Alsof het er nu mooi voor mij uitzag, Jonker. 'k Geloof, dat mijne
tong wel voor heirweg te gebruiken is."

"Kom naast ons rijden, Fulco," gebood Heer Gijsbrecht. "We mochten
je anders nog uit het gezicht verliezen."

Die uitnoodiging behoefde niet herhaald te worden. "Pfff, wat een
warmte en wat een stof!" zuchtte Fulco, en met een knipoogje tegen
den Jonker en een blik op de tasch, die hij aan den zadel had hangen,
liet hij er op volgen: "'k Wed, dat ik wel twee bekers wijn noodig
zou hebben, om al het opgezamelde stofweg te spoelen. Mijne keel is
er droog van."

"En n, om wat af te koelen op den koop toe," vervolgde Jonker Jan,
terwijl hij het knipoogje van Fulco beantwoordde.

De jonge edelman glimlachte.

"Een poosje geduld nog," zeide hij. "Binnen een half uur bereiken wij
den zoom van het woud, dat we door moeten trekken. Daar vinden we dan
tegelijkertijd water voor onze paarden, die ook wel eene verfrissching
noodig hebben, en een zachten mosgrond om ons een oogenblik op neer
te zetten. Maar lang kunnen we toch niet toeven, want het is al laat
en we hebben nog een flinken rit vr ons."

"Uwe Edelheid heeft gelijk," zeide Jonker Jan. "'t Wordt al vrij
donker, en we moeten minstens nog twee uur rijden. 't Zal laat zijn,
eer we op den burcht aankomen. Als we maar niet na middernacht in
het bosch zijn."

Fulco glimlachte. Hij wist wel, waarom Jonker Jan niet graag na
middernacht door een bosch of langs een kerkhof ging.

"De Jonker heeft gelijk, Edele Heer," zeide hij spottend. "Dan zal
het niet pluis zijn in dat donkere woud."

"Wat nu, Jonker?" vroeg Heer Gijsbrecht, terwijl hij de wenkbrauwen
fronste. "Je bent toch niet bang?"

"Bang, Heer?" riep de schildknaap uit, en een donkere blos verfde
hem de kaken. "Bang? Ik ben voor niemand bang. Wee hem, die het zou
durven wagen, mij zelfs maar een stroohalm in den weg te leggen. Bij
St. Joris, het zou hem slecht vergaan!"

Bij de woorden sloeg hij de hand zoo driftig aan zijn zwaard, dat
het gerinkel daarvan zijn zwarten hengst de ooren deed spitsen.

"Goed gesproken, hoewel de straf wel wat zwaar zou zijn voor eene
zoo kleine misdaad," hernam de edelman glimlachend. "Ik wist ook wel,
dat een Jonker van Asperen geen lafaard kon zijn. Maar waarom wil-je
dan zoo graag vr middernacht op den burcht zijn?"

De Jonker zweeg. Hij schaamde zich de oorzaak van zijne vrees te
noemen. Maar Fulco, die maar al te gaarne toegaf aan zijne zucht tot
spotten, antwoordde in zijne plaats:

"Wel, Edele Heer, dat is licht te bevroeden.



Pages: | 1 | | 2 | | 3 | | 4 | | 5 | | 6 | | 7 | | 8 | | 9 | | 10 | | 11 | | 12 | | 13 | | 14 | | 15 | | 16 | | 17 | | 18 | | 19 | | 20 | | 21 | | 22 | | 23 | | 24 | | 25 | | 26 | | 27 | | 28 | | 29 | | 30 | | Next |

N O P Q R S T
U V W X Y Z 

Your last read book:

You dont read books at this site.