A B C D E F
G H I J K L M 

Total read books on site:
more than 10 000

You can read its for free!


Text on one page: Few Medium Many
/







De

Cohen-Editie

Van de

Beste binnen- en buitenlandsche boeken

Uitgave van

Gebroeders E. & M. Cohen, Amsterdam
1920






Nantas

Door

Emile Zola



Uitgave van

Gebroeders E. & M. Cohen, Amsterdam
Heerengracht 326








NANTAS, DE STERKE.

REALISTISCHE NOVELLE

Door _EMILE ZOLA_.




I.


Nantas bewoonde, sinds zijn aankomst te Parijs, een kamer op de
derde verdieping van een huis in de rue de Lille, grenzende aan het
prachtige gebouw van baron Danvilliers, lid van den Raad van State,
die het huis in weelderigen ouden stijl had doen optrekken. Als
Nantas zich voorover boog, kon hij een hoekje van den tuin van dit
paleis zien. Reusachtige boomen verspreidden een aangenamen schaduw
en hooger, over de groene kruinen, had hij het gezicht op de Seine,
de TuileriŽn, het Louvre, de reeks van kaden, een groot dakenveld en
zelfs heel in de verte PŤre-Lachaise.

't Was een kleine zolderkamer, met een glazen pan als venster en Nantas
had haar zoo eenvoudig mogelijk gemeubileerd met een bed, een tafel
en een stoel. Hij had zich daar geÔnstalleerd, omdat het goedkoopste
hem het beste voorkwam, zoolang hij moest worstelen om een betrekking
te vinden. En toch maakte het vuile behang, de zwarte zoldering, de
ellende en naaktheid van dit kamertje, waar zelfs geen schoorsteen
was, geen bedroevenden indruk op hem. Sedert hij sliep in het gezicht
der TuileriŽn en van het Louvre, vergeleek hij zich bij een generaal,
die genoodzaakt was van een eenvoudigen boerenherberg aan den weg, zijn
verblijfplaats te maken, terwijl zijn troepen gelegerd zijn om de rijke
en machtige stad, die hij morgen stormenderhand hoopt in te nemen.

Nantas was de zoon van een metselaar te Marseille, en was aan
het gymnasium aldaar zijn studiŽn begonnen, daartoe gedreven
door de trotsche teederheid zijner moeder die een heer van hem
wilde maken. Toen zijn moeder gestorven was, had Nantas echter een
betrekking moeten aanvaarden, waar hij twaalf jaren lang een leven van
wanhopige eentonigheid had geleid. Wel twintig maal zou hij weggevlucht
zijn als zijn plicht hem niet bevolen had te Marseille te blijven,
tot hulp en steun van zijn vader, die door den val van een steiger
invalide was geworden. Hij moest thans in de behoeften van hun beiden
geheel voorzien. Op een avond thuis komende, vond hij den metselaar
echter dood, zijn nog warm pijpje naast hem liggend. Drie dagen later
verkocht hij wat er in het kleine huishouden nog van eenige waarde
was en vertrok met twee honderd francs in den zak naar Parijs.

Van zijn moeder had Nantas een hardnekkige zucht naar grootheid en
rijkdom geŽrfd. Hij was een jongmensch, die spoedig tot iets besloot
en zijn besluiten met ijzeren wil ten uitvoer bracht.

Toen hij nog jong was, had men iets bijzonders in hem meenen te
zien. Dikwijls had men gelachen als hij uitriep: "Ik voel mij o,
zoo sterk", een uitdrukking die comisch werd als men hem aanzag het
te kleine jasje uit den naad springende aan de schouders en waarvan
de mouwen hem tot aan de polsen reikten.

Zoo zachtjes aan had hij een zekere vereering voor de kracht opgevat,
slechts haar in het leven der menschen ziende, overtuigd dat de
sterken altijd de overwinnaars zijn. Volgens Nantas was het slechts
noodig te willen om te kunnen; de rest was bijzaak.

's Zondags, als hij geheel alleen in de omstreken van Marseille
wandelde, onder een verschroeiende zon, dan voelde hij een stroom in
zich, die hem voortdurend voorwaarts joeg. Thuiskomende at hij met
zijn verminkten vader wat aardappelen, zichzelf belovende later wel
te zorgen, dat de maatschappij, waarin hij op zijn dertigsten jaar
nog niets was hem wat beters zou geven. Het was geen gewoon verlangen,
dat hem bezielde, geen zucht naar laag genot, het was alleen het gevoel
van een verstand en een wil, die niet op hun plaats waren, maar bedaard
en kalm de plaats zochten te bereiken, welke hun rechtens toekwam.

Nauwelijks betraden zijn voeten het plaveisel van Parijs of Nantas
meende de hand maar voor 't uitstrekken te hebben om een hem waardige
betrekking te vinden. Den eersten dag reeds opende hij den strijd. Men
had hem eenige aanbevelingsbrieven mede gegeven, welke hij zich
haastte aan hun adres te bezorgen; ten overvloede klopte hij bij eenige
landslieden aan, hopende op hun hulp en steun. Een maand ging echter
zonder 't geringste succes voorbij; de tijd was slecht gekozen, zeide
men, of men deed hem schoone beloften. Zijn beurs werd echter lichter
en het oogenblik kwam waarop hij nog maar twintig francs bezat. Van
die twintig francs moest hij beproeven nog een heele maand te leven,
van den morgen tot den avond Parijs doorkruisende, om thuis komende
zonder licht naar bed te gaan, doodop van vermoeienis en met aldoor
leege handen. Toch verloor hij den moed niet; het eenige gevoel dat
in hem opkwam, was somberen toorn. Het lot scheen hem onredelijk en
onrechtvaardig toe.

Op een avond kwam Nantas thuis zonder te hebben gegeten. 's Morgens
had hij zijn laatste stuk brood gebruikt. Geen geld en geen vriend om
hem een dubbeltje te leenen. Het had den ganschen dag geregend, een
van die triestige koude regens, die in Parijs zoo talrijk zijn. Een
modderstroom ging door de straten. Tot op de huid nat was Nantas naar
Bercy gegaan en later naar Montmartre, waar men hem gezegd had, dat
betrekkingen open waren en waarop zijn laatste hoop gevestigd was;
te Bercy was de plaats echter reeds vergeven en te Montmartre had men
gevonden dat hij niet netjes genoeg schreef. Daar hij zeker was dat
hij in de eerste de beste betrekking zijn fortuin zou maken zou hij
alles hebben aangenomen. Hij vroeg niet anders dan een stuk brood,
om te kunnen leven te Parijs, het terrein waarop hij steen voor
steen het gebouw zijner grootheid wilde optrekken. Van Montmartre
begaf hij zich met trage schreden naar de rue de Lille, het hart van
bitterheid vervuld. De regen had opgehouden; de haastige voorbijgangers
drongen hem bijna van 't trottoir. Eenige minuten bleef hij voor een
wisselkantoor staan, vijf francs waren misschien voldoende geweest
om hem ťťns tot den meester van al deze menschen te maken; van vijf
francs kon hij acht dagen leven en in acht dagen kon hij heel wat
tot stand brengen.

Zoo droomerig zijn weg gaande, vloog een rijtuig langs hem heen en
bespatte hem met modder, zoodat hij zijn gezicht moest afvegen.

Toen liep hij harder, de tanden op elkaar geklemd, met een duivelsch
verlangen, om zich met vuistslagen op de menigte te werpen, dat zou
hem eenigszins gewroken hebben op de domheid van het lot.

In de rue Richelieu had een omnibus hem bijna overreden. Het midden
van de place du Caroussel bereikt hebbende, wierp hij een jaloerschen
blik op de TuileriŽn.

Op de brug der Saints-PŤres, noodzaakte een klein, welgekleed meisje
hem den rechten weg te verlaten, welken hij gevolgd had met de
woeste onverzettelijkheid van een wild zwijn, dat door jachthonden
wordt nagezet en dit wijken scheen hem een toppunt van vernedering:
zelfs de kinderen beletten hem het voortgaan. Toen hij eindelijk zijn
kamer weder opgezocht had, als een gewond dier dat zijn leger zoekt
om te sterven, liet hij zich verslagen en krachteloos met een doffen
smak in zijn stoel vallen. Hij bekeek zijn versleten broek en zijn
gescheurde schoenen, waar het slijk uitdroop.

Ja, nu was 't gedaan, onherroepelijk! Hij vroeg zich af op welke
wijze hij zich zou dooden. In zijn trots meende hij dat zijn dood
een straf was voor Parijs. Inwendig sterk te zijn en geen mensch
te vinden die dat vermoedt, niemand die u het eerste tientje geeft,
waaraan gij zoozeer behoefte hebt. Dat scheen hem eene bespottelijke
onbillijkheid en zijn gansche wezen kwam er tegen in verzet. Als zijn
blikken echter op zijn onnutte armen vielen, kwam een gevoel van
spijt in hem op. Voor niets zou hij teruggedeinsd zijn, niets ware
hem te zwaar geweest; een wereld zou hij hebben opgetild aan zijn
pink.... hij, die daar zat, teruggekropen in zijn hoek, tot onmacht
gedoemd, op zijn klauwen knagende als een leeuw in zijn kooi. Weldra
werd hij kalmer en begon hij den dood grootsch te vinden. Toen hij
nog klein was, had men hem de geschiedenis van een uitvinder verteld,
die een wondermachine had samengesteld en haar eens met hamerslagen
vernietigde, omdat de menschen er te onverschillig voor waren. Welnu,
hij was die man, hij droeg in zich om een nieuwe kracht, een machine
van verstand en wilskracht, en hij zou die machine vernietigen door
zijn hersenen uiteen te doen spatten op de straatsteenen.

De zon ging onder achter de hooge boomen van het prachtige huis van
Danvilliers, een herfstzon, wier gouden stralen de gele blaadjes als
vlammetjes deed flikkeren. Nantas stond op, aangetrokken tot dezen
afscheidsgroet der zon. Hij ging sterven en voelde een behoefte in
zich ontwaken naar licht. Een oogenblik boog hij zich voorover. Bij
den draai van een laan, achter het dichte groen, had hij wel eens
een jong, blond meisje bemerkt, slank en statig, trotsch als een
prinses. Hij was niet romantisch; de tijd was voor hem voorbij,
waarin jonge mannen in hun zolderkamertje droomen van rijke meisjes,
die hen haar liefde en schatten komen brengen.

En toch, in dit uur, waarin hij zich ging toewijden aan den dood,
herinnerde hij zich plotseling dat schoone trotsche meisje. Hoe zou
ze wel heeten? Op 't zelfde oogenblik echter balde hij de vuisten en
voelde hij niets dan haat, gloeienden haat tegen de bewoners van dat
paleis, waarvan de vensters half geopend waren en hem hoekjes lieten
zien vol pracht en weelde. In zijn woede fluisterde hij:

"O, ik zou mezelf willen verkoopen, ik zou me verkoopen aan dengene,
die mij de eerste honderd stuivers gaf van mijn toekomstig fortuin."

Een oogenblik hield dat idťe van zichzelf te verkoopen hem bezig.

Als er ergens een bank van leening was geweest, waar men geld
voorschoot op wilskracht en energie, hij zou er heengegaan zijn.

De onzinnigste denkbeelden rezen in hem op. Een staatsman kwam hem
koopen om een geschikt werktuig van hem te maken, een bankier wenschte
ieder oogenblik zijn verstand aan zijn speculaties dienstbaar te maken,
en hij nam alles aan, de eer verachtende en zich opdringende dat de
heele zaak was sterk te zijn en eens te zegepralen.



Pages: | 1 | | 2 | | 3 | | 4 | | 5 | | 6 | | 7 | | 8 | | 9 | | 10 | | 11 | | 12 | | 13 | | 14 | | 15 | | 16 | | 17 | | 18 | | 19 | | 20 | | 21 | | 22 | | 23 | | 24 | | 25 | | 26 | | 27 | | 28 | | 29 | | 30 | | 31 | | 32 | | 33 | | 34 | | 35 | | 36 | | 37 | | 38 | | 39 | | 40 | | 41 | | 42 | | Next |

N O P Q R S T
U V W X Y Z 

Your last read book:

You dont read books at this site.