A B C D E F
G H I J K L M 

Total read books on site:
more than 10 000

You can read its for free!


Text on one page: Few Medium Many
Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
/







Uit het leven van

Dik Trom

Door

C. Joh. Kieviet

Zesde druk

Ge´llustreerd door

Joh. Braakensiek

Alkmaar--P. Kluitman.






Boekdrukkerij Firma P. Kluitman--Alkmaar.






INHOUD.


Bladz.

Dirk wordt geboren en krijgt een naam 1
Dirk en de baker worden kwade vrienden 7
Dirk begint te kruipen en kattekwaad te doen 11
Dirk wordt in een dubbelen zin dik en gaat op den ingeslagen weg
voort 19
Dik ondergaat eene gedaanteverwisseling en blijft toch dezelfde 31
Hoe Dik uit varen ging 41
Dik gaat naar school 51
Dik en de juffrouw 63
Dik en de heks van den Achterweg 75
Eene eerzame weduwe en een zeldzame ezel 91
Hoe Dik kwaad deed, en Bruin er een pak slaag voor kreeg 105
Flipsen wordt nog boozer 117
Boontje komt om zijn loontje 129
Hoe Dik op vrije voeten geraakte en een goed besluit nam 147
Paarden en ezels 161
Hoe Dik de heks voorthielp 175
Een ongeluk komt zelden alleen 191
Het slot van de geschiedenis 205










EERSTE HOOFDSTUK.

DIRK WORDT GEBOREN EN KRIJGT EEN NAAM.


Moeder was ziek; al sedert vier dagen had zij hevige koortsen,
die haar dwongen het bed te houden. Doch hoe ziek zij ook was, toch
klopte haar hart van blijdschap, want dezen morgen was haar liefste
wensch vervuld; de goede God had haar een zoon geschonken.

Haar man wist nog niet, welk groot geluk hem te beurt was gevallen,
want hij werkte op grooten afstand van zijne woning, zoodat het
gewoonlijk reeds laat in den avond was, als hij thuis kwam. Nu
verwachtte Moeder hem evenwel vroeger, want zij had hem een bode
gezonden, om hem het groote nieuws mede te deelen.

Daar ging de deur open. Zou hij het wezen? Neen, 't was eene buurvrouw,
die eens even naar den kleine kwam zien. De baker nam hem uit de
wieg en hield hem de buurvrouw voor. Doch nauwelijks zag deze hem,
of zij sloeg van verbazing hare handen in elkander, en riep uit:

"Wel, wel, wat een driedubbeldikke jongen is dat! Zoo 'n dikzak
heb ik nog nooit gezien! 't Is zoo waar een natuurwonder! Welke
bolle wangen, en zie me die beenen eens aan! Als die jongen zoo moet
blijven doorgroeien, kan hij later niet meer door de deur. Och, och,
wat een jongen! Nu, moedertje, van harte gefeliciteerd, hoor; ik wed,
dat je genoegen aan dien jongen zult beleven. Hij kan wel voor twee
tellen, en wat ziet hij er lief uit. Ik vind hem een recht lieven
jongen,--maar wat zal hij kunnen eten!"

"Of hij, buurvrouw," viel de baker in, "daar kun je op rekenen! Hij
zal den hollebollen Gijs wel nadoen, die eene koe en een kalf en een
dood paard half opat. Och, m'n lieve mensen, wil je wel gelooven, dat
ik van hem geschrokken ben? Die jongen heeft wangen als oliebollen!"

"Ik zou hem nu maar in de wieg leggen, baker," zei Moeder. "Anders
mocht hij eens kou vatten."

Hij zelf zeide niets; praten kon hij nog niet en schreeuwen scheen hij
niet te willen. Hij blikte voor zijn leeftijd buitengewoon verstandig
in het rond, alsof hij zich aan de vreemde omgeving wilde gewennen,
keek toen gedurende langen tijd zijne moeder aan, die hem, te oordeelen
naar zijn tevreden gelaat, zeer goed scheen te bevallen, en richtte
zijn blik daarna op de baker. Deze viel blijkbaar minder in zijn
smaak, want hij trok een heel vies gezicht, draaide zijn hoofd met
duidelijke teekenen van afkeer om en liet zijn oog op de wieg vallen,
waarvan het gezicht hem, naar het scheen, veel aangenamer aandeed. De
tevreden uitdrukking van straks gleed weer over zijn gelaat, en zijn
mond plooide zich tot een welbehaaglijk glimlachje.

De baker trok hem zijn nachtgoed aan, waarvan wel de helft te klein
bleek te zijn, en legde hem in de wieg, waarin hij zich zeer op zijn
gemak gevoelde. Met een vergenoegd gezicht sliep hij in.

Een poosje later kwam zijn Vader thuis. Deze was timmermansknecht
bij baas Meyer. Dadelijk na het ontvangen van de heuglijke tijding
had hij zich op weg begeven. Vol blijdschap over de geboorte van
zijn zoontje stapte hij de kamer binnen, gaf zijne vrouw een kus en
spoedde zich toen naar de wieg, waarvan de baker het kleed al had
opgeslagen. Hoe groot was ook zijne verbazing bij 't aanschouwen
van zijn welgedanen zoon! Toch uitte hij die niet in een stortvloed
van woorden en uitroepen. Hij spalkte zijne oogen wagenwijd open,
streelde met zijne ruwe hand de dikke wangen van zijn spruitje, keek
de baker eenige seconden wezenloos aan, en.... ging zijn boterham eten.

"Nu, man, vind je het geen bijzonder lief kind?" vroeg zijne vrouw. "En
wat is hij dik, niet waar?"

Vader had juist, onverstandig genoeg, een grooten hap brood genomen,
nog vˇˇr hij den vorigen, even grooten hap had doorgeslikt. Zijn mond
was daardoor zˇˇ vol, dat hij met den besten wil van de wereld geen
woord kon uitbrengen. Het duurde dus eenigen tijd, eer hij in staat
was te antwoorden:

"Dik? Of hij dik is,--dat is-ie."

Nauwelijks waren die gewichtige woorden zijn mond ontgleden, of met
een nog grooteren hap maakte hij zich opnieuw het spreken onmogelijk.

"Maar man," vervolgde zijne vrouw, "hoe zullen we hem nu noemen? Hij
moet zeker naar je vader vernoemd worden? Heette die niet Arie?"

"Hij zal Dirk heeten, dat zal-ie," klonk het uit den vollen mond
van den heer des huizes. "Mijn broer, die naar Amerika is gegaan,
heet ook zoo, dat doet-ie, en daarom, zie je.... hap!"

Het laatste stuk brood verdween in 's mans mond en maakte een einde
aan zijne schitterende redevoering. Toen hij weer spreken kon, draaide
hij zich om, boog zich nog eenmaal over het wiegje, ging bedaard voor
het bed van zijn vrouw staan en zeide:

"Wat zullen we er aan doen, Griet? 't Is een bijzonder kind,--dat
is-ie."

Daarna stapte hij, bedenkelijk zijn hoofd schuddende, naar den
burgemeester, om het bijzondere kind te doen inschrijven onder den
naam van Dirk. En daar hij zelf Jan Trom genoemd werd, zou zijn zoon
later luisteren naar den naam van Dirk Trom.






TWEEDE HOOFDSTUK.

DIRK EN DE BAKER WORDEN KWADE VRIENDEN.


Dirk Trom was geen gewone jongen, dat toonde hij duidelijk. Schreeuwen,
wat andere kinderen blijkbaar voor eene aangename tijdkorting
houden en waarin velen van hen het soms buitengewoon ver brengen,
vond hij volstrekt niet aardig, ja, hij scheen het zelfs beneden
zijne waardigheid te vinden. Hij deed het dan ook nooit, zelfs niet,
toen de baker hem per ongeluk tamelijk diep met eene speld prikte. Hij
gaf geen kik, maar keek haar alleen met een zoo verwijtenden blik aan,
dat zij niet wist, hoe zij het met hem had. Over het geheel scheen hij
met deze goede vrouw weinig op te hebben, en dat verdiende ze toch niet
aan hem, want zij verzorgde hem zoo goed als in haar vermogen was. Ook
zijne zieke moeder verpleegde zij met groote hartelijkheid. Doch
Dirk waardeerde dat niet, integendeel, hij was norsch en stug tegen
haar. Hij wilde uit hare hand zelfs geen voedsel aannemen, hoe
vriendelijk zij hem ook toelachte. Liever was hij in de armen van
zijne moeder. Niet dat hij het dan uitkraaide van pleizier, o neen,
hij was blijkbaar heel kalm van natuur en verre van luidruchtig, maar
als hij bij moeder was, lag er een waas van tevredenheid over zijne
dikke wangen en keek hij haar vriendelijk in de liefdevolle oogen,
terwijl hij met zijne vingertjes op zijn buik trommelde, alsof hij
piano speelde.

Toen hij tien dagen oud was, kwam het tusschen hem en de baker
tot eene bepaalde vredebreuk. De vrouw van Meyer, den timmerman,
die vrouw Trom tijdens hare ziekte had bezocht, stuurde een lekker
soepje, met de boodschap, dat ze spoedig nog eens zou komen zien, hoe
moeder en kind het maakten. De baker zette de soep op een vuurtje,
om die warm te houden, plaatste het comfoortje vˇˇr zich op tafel,
en nam den kleinen Dirk op haar schoot, om hem te verkleeden. Dirks
moeder, die zeer zwak was, lag in een gerusten slaap. Af en toe roerde
de baker eens in de soep, opdat deze niet zou aanbranden, en nam
dan telkens een paar lepels vol, om te proeven, hoe warm ze was. Ze
had er geen erg in, dat die handelwijze den jongeheer volstrekt niet
scheen te bevallen, maar spoedig zou zij het tot haar grooten schrik
bemerken. Toen zij Dirk verkleed had en gereed was, hem in de wieg te
leggen, kwam het haar voor, dat de soep aanbrandde. Dadelijk nam zij
den schotel in de hand en schoof het comfoortje op zijde. Nu nam zij
den lepel in de andere hand, en wilde zich overtuigen, of zij zich
ook bedrogen had. Juist bracht zij den lepel in den mond en bemerkte
ze, dat zij in de haast ook een balletje gehakt had opgeschept, toen
Dirk plotseling de beide beenen met zulk eene kracht omhoog wierp,
dat hij haar den schotel uit de hand schopte, zoodat de inhoud haar
schoone jurk in een ommezien in eene soepjurk veranderde. De goede
vrouw schrikte daar zoo hevig van, dat het lekkere balletje gehakt
haar in het verkeerde keelgat schoot, waardoor zij eene hoestbui
kreeg, die haar het angstzweet deed uitbreken. Dirk Trom keek haar
zegevierend aan. Van dat oogenblik af vreesde de baker hem.

Kort daarna begon Moeder langzamerhand sterker te worden, en toen zij
hare krachten teruggekregen had, vertrok de baker. Bij die gelegenheid
liet Dirk voor 't eerst zijn geluid hooren: hij nam afscheid van haar
met eene langgerekte a!






DERDE HOOFDSTUK.

DIRK BEGINT TE KRUIPEN EN KATTEKWAAD TE DOEN.


Een fatsoenlijke jongen zorgt er voor, op ÚÚnjarigen leeftijd te
kunnen loopen.



Pages: | 1 | | 2 | | 3 | | 4 | | 5 | | 6 | | 7 | | 8 | | 9 | | 10 | | 11 | | 12 | | 13 | | 14 | | 15 | | 16 | | 17 | | 18 | | 19 | | 20 | | 21 | | 22 | | Next |

N O P Q R S T
U V W X Y Z 

Your last read book:

You dont read books at this site.